 |
Ergens in het land, in een blauwe kast op zolder
in een oud huis, slapen de briezels. Maar als de wekker gaat, rollen ze
de zolder op en is de rust voorbij. Want als briezels gaan briezelen, pas dan maar op!
‘We
gaan rekenen, Froggel,’ zegt Grote Slof. ‘Ik geef jou een
som.’
‘O, dank je wel! Wat een bof met oom Slof,’ giechelt Froggel.
‘Precies. En als je de som hebt moet je hem maken.’
‘Hoezo? Is de som kapot?’
‘Nee,’ zegt Slof. ‘Luister nou eerst even. Een som maken
is bijvoorbeeld optellen.’
Froggel veert op. ‘Tellen kan ik al lang.’ Hij pakt zijn vingers
en begint te tellen.
‘Eén-twee-drie-vier. Ik heb vier vingers.’
‘En aan je andere hand?’ vraagt Slof.
‘Eén-twee-drie-vier. Ook vier.’
‘Goed zo. En hoeveel vingers heb je aan twee handen samen?’
‘Eén-twee-drie-vier-één-twee-drie-vier. Ook
vier. Goed geteld, hè.
Mag ik nu spelen?’
Grote Slof krabt op zijn hoofd. |